Legenda
Kratos, G2904, 14x = machtig krachtig Dunamis, G1411, 120x
1. kracht.
2. (bijzonder) wonderbaarlijke kracht.
3. (meestal impliciet) een wonder zelf.
Lukas 1:51
Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm;
Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.
Handelingen 19
20 Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand.
EfeziŽrs 1:19
welke de uitnemende grootheid Zijner krachtzij aan ons, die geloven/a>,
naar
de werking der sterkte Zijner macht, 20. schriftwoord
EfeziŽrs 6:10
Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en  in de sterkte Zijner macht. 11. schriftwoord
Kolossensen 1:11
Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de kracht sterkte Zijner heerlijkheid,
tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap;
1 TimotheŁs 6:16
Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont;
Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht
HebreeŽn 2:14
Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn,
zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden,
opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene,
die het geweld des doods had, dat is, den duivel;
1 Petrus 4:11
indien iemand dient, die diene als uit kracht sterkte, die God verleent;
opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus,
Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid.
1 Petrus 5:11
Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
Judas 1:25
Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker,
zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.
Openbaring 1:6
En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader;
Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
Openbaring 5:13
En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn,
en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam,
zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.
Ischus, G2479, 10x = sterk(s)te, kracht. {letterlijk of figuurlijk}
Marcus 12:30; Marcus 12:33; Lukas 10:27
En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.
EfeziŽrs 1:19
welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven,
naar de werking der sterkte Zijner macht, 20. schriftwoord
EfeziŽrs 6:10
Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en  in de sterkte Zijner macht. 11. schriftwoord
2 Thessalonicensen 2:11
En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
1 Petrus 4:11
indien iemand dient, die diene als uit kracht sterkte, die God verleent;
opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus,
Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid.
2 Petrus 2:11
Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde,
geen lasterlijk oordeel tegen hen voor den Heere voortbrengen.
Openbaring 5:12
Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.
Openbaring 7:12
Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen.