Legenda
Kenos, G2756, 17x = leeg, vacuüm
Marcus 12:3
Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.
Lukas 1:53
Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
Lukas 20:10
En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht,
opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden;
maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen.
Lukas 20:11
En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht;
maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen.
Handelingen 4:25
Die door den mond van David Uw knecht, gezegd hebt:
Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?
1 Korinthiėrs 15:10
Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade,
die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest,
maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik,
maar de genade Gods, Die met mij is.
1 Korinthiėrs 15:14
En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.
1 Korinthiėrs 15:17
En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.
1 Korinthiėrs 15:58
Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk,
altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet,
dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.
2 Korinthiėrs 6:1
En wij, als medearbeidende, bidden u ook,
dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben.
Galaten 2:2
En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor,
dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen,
die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.
Efeziėrs 5:6
Dat u niemand verleide met ijdele woorden;
want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.
Filippensen 2:16
Voorhoudende het woord des levens, mij tot een roem tegen den dag van Christus,
dat ik niet tevergeefs heb gelopen, noch tevergeefs gearbeid.
Kolossensen 2:8
Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding,
naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;
1 Thessalonicensen 2:1
Want gij weet zelven, broeders, onzen ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest;
1 Thessalonicensen 3:5
Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden,
om uw geloof te verstaan; of niet misschien de verzoeker u zou verzocht hebben,
en onze arbeid ijdel zou wezen.
Jakobus 2:20
Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?
Eike, G1500, 7x
nutteloos, d.w.z. zonder reden (of gevolg).
Mattheüs 5:22
Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
Romeinen 13:4
Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.
1 Korinthiėrs 15:2
Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.
Galaten 3:4
Hebt gij zoveel tevergeefs geleden? Indien maar ook tevergeefs!
Galaten 4:11
Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.
Kolossensen 2:18
Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses;
Kenoo, G2758, 5x
1. leeg maken.
2. (figuurlijk) vernederen, neutraliseren, vervalsen.
Rom 4:14
Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn,
zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.
1Kor 1:17
Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen
niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde.
1Kor 9:15
Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven,
opdat het alzo aan mij geschieden zou; want het ware mij beter te sterven,
dan dat iemand dezen mijn roem zou ijdel maken.
2Kor 9:3
Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, dien [wij] over u [hebben],
niet zou ijdel gemaakt worden in dezen dele;
opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn;
Filipp 2:7
Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende,
en is den mensen gelijk geworden;
Mataios, G3152, 6x
1. leeg.
2. (letterlijk) nutteloos. (geen/zonder gewin)
3. (speciaal) een afgod.
Prediker 9:9
Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt, al de dagen uws ijdelen levens, welke God u gegeven heeft onder de zon, al uw ijdele dagen; want dit is uw deel in dit leven, en van uw arbeid, dien gij arbeidt onder de zon.

Handelingen 14:15
En zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen?
Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden,
dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot den levenden God,
Die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is;
2 Koningen 17:15
Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.

1 Korinthiėrs 3:20
En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.
1 Korinthiėrs 15:17
En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.
Titus 3:9
Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.
Jakobus 1:26
Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is,
en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel.
1 Petrus 1:18
Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud,
verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is;