Inleiding1 De
ouderling aan de uitverkoren
vrouwe
en aan haar kinderen,
 die ik in waarheid liefheb, en [1Joh. 3:18; 1Tim. 2:4]
 niet alleen ik,
maar ook allen, die de waarheid
gekend hebben;
2 om der waarheid wil, die in ons blijft, en met ons zal zijn in
der eeuwigheid: 3
genade,
barmhartigheid,
vrede zij met ulieden
 van
God den Vader, en van den Heere Jezus
Christus, den Zoon des Vaders,
 in waarheid en liefde. [3Joh. 3]
4 Ik ben zeer
verblijd geweest,
dat ik van uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen,
gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader.
5 En nu bid ik u, [uitverkoren]
vrouwe, niet als u schrijvende een nieuw gebod,
maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, [Joh. 13:34]
 namelijk dat wij elkander liefhebben. 6 En
dit is de
liefde, dat wij wandelen naar
Zijn geboden.
 dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt,
  dat gij in hetzelve zoudt wandelen. [Joh. 14:15]
7
 want er zijn vele verleiders
in de wereld gekomen,
 die niet belijden, dat
Jezus
Christus in het vlees gekomen is.
 deze is de verleider en de
antichrist.
8 Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben,
maar een vol loon mogen ontvangen. 9
 een iegelijk, die
overtreedt, en niet blijft in de
leer van Christus,
  die heeft God niet;
 die in de leer van Christus
blijft,
  deze heeft beiden den Vader en den Zoon. 10
indien iemand tot ulieden komt, en deze leer niet brengt,
 ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet weest
verblijdt.
11
want die tot hem zegt: Zijt gegroet weest
verblijdt,
 die heeft gemeenschap aan zijn boze werken. [Joh. 2:23]
12 Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt;
 maar ik hoop tot ulieden te komen, en mond tot mond met u te spreken,
opdat onze blijdschap
volkomen moge zijn. [Num. 12:8]
13 U groeten de kinderen van uw zuster, de uitverkorene.
Amen.
|